De Betuwe is tijdens de Tweede wereldoorlog tot een markant gebied geworden. Met name vanaf Market Garden tot aan de bevrijding. Het werd een frontgebied waarbij van bevrijd eigenlijk geen sprake was. De mensen waren geëvacueerd, het front golfde op en neer en een groot gedeelte van het gebied kwam onder water te staan. Uiteindelijk werd de definitieve bevrijding van Nederland deels door de Betuwe ingezet. Ook aan het begin van de Oorlog speelde de Betuwe een rol mee. Twee verdedigingslinies liepen door de Betuwe. Zij moesten de vijand ophouden tot aan de Grebbelinie.

De Nederlandse verdediging in 1940

Nadat in 1935 de internationale toestand steeds dreigender begon te worden heeft men in Nederland getracht de landsverdediging weer op orde te maken. Deze was sterk verouderd omdat na de eerste wereldoorlog er weinig tot niets meer aan gedaan was. Toen het Pools-Duitse conflict zo ernstig werd dat er elk moment de strijd los kon barsten is in Nederland de algemene mobilisatie afgekondigd, dit was op 28 augustus 1939, 3 dagen voor het uitbreken van de Tweede wereldoorlog (WW2).

De verdediging van Holland bestond uit de Nieuwe Hollandse Waterlinie die aansloot op de historische verdedigingslijn van de vesting Holland. Maar hier was tot augustus 1939 bijna niets meer aan gedaan. Het veldleger werd in twee oostelijker gelegen stellingen opgesteld. Deze twee linies liepen beide door de Betuwe. De eerste was de IJssellinie die aansloot op de Maaslinie. Deze liep in de Betuwe ongeveer tussen Arnhem en Nijmegen. De tweede was de meer bekende Grebbelinie die weer aansloot op de Peel-Raamstelling. Deze liep door de Betuwe als Betuwestelling ter hoogte van Ochten door naar de Maas-Waalstelling. Maar omdat in België niet goed werd aangesloten op de Peel-Raamstelling kon via België gemakkelijk de buitenste defensielijn worden omtrokken. Daarom werd de Grebbelinie-Betuwestelling langs de Waal en de Linge naar het Westen omgebogen en verlengd en deze sloot bij Gorkum aan op de vesting Holland, de zogeheten Waal-Lingestelling.

Bij het begin van de mobilisatie bestonden de genoemde linies of stellingen niet of nauwelijks. De militairen hebben ze voor het grootste gedeelte zelf moeten maken en leken dan ook vaak meer op grondwerkers dan op soldaten. Het voornaamste bezwaar van deze werkzaamheden was wel dat er geen tijd overbleef om de toch al geringe geoefendheid op te voeren. De genoemde lijnen waren opgebouwd uit van hout en grond vervaardigde wapenopstellingen, loopgraven en schuilplaatsen. Soms voorzien van betonnen of gietstalen kazematten die als mitrailleuropstelling dienst deden. Verder kon door inundatie (onderwaterzetting) voor de linie een extra bescherming opwerpen.

Om echt tot verdediging over te kunnen gaan had mijn tijd nodig. Manschappen moesten aanrukken en de door de stellingen lopende wegen moesten nog versperd worden. Om tijd te winnen moest men bij de grensovergangen alarm slaan en tussen de grens en linies werden een aantal voorbereide versperringen opgesteld. Dit moest het mogelijk maken om tijdig de bruggen over de rivieren te kunnen vernielen. De versperringen werden bemand door Huzaren die te paard of te fiets onze snel te verplaatsen troepen vormden. Al met al verwachte men dat bij een grote overmacht de verdediging tot aan de Grebbelinie maximaal 1 dag kon standhouden.

Bronnen

Mei 1940, H. Amersfoort en P.H. Kamphuis
Grebbelinie 1940, E.H. Brongers
www.grebbelinie.nl

Foto's uit archief Stichting B.O.I.C., betreft verdedigingswerk de Spees te Kesteren