In de Betuwe zijn tal van vliegtuigcrashes en noodlandingen bekend en geregistreerd. Maar de vermoedens zijn dat er ook nog meerderen niet geregistreerd zijn. Het kan zijn dat deze wel bekend onder de bevolking. Dit vernemen wij dan ook graag van u. De reden waarom er zo vele vliegtuigen in de Betuwe zijn neergestort heeft met name te maken met het feit dat de Betuwe onder de aanvliegroutes ligt. Veelal via de Schelde kwamen de vliegtuigen vanuit Engeland ons land binnen en volgden de grote rivieren richting onder andere de industrieën in het Ruhrgebied. Daarbij kwam dat er veel Flak afweergeschut stond in onze omgeving en zich oa bij Deelen en Venlo Duitse vliegveld bevonden met Duitse Jagdvliegtuigen die voor veel verliezen bij de geallieerden zorgden. In diverse dagboeken en verslagen worden meerdere luchtgevechten en gevolgen omschreven. In naslagwerk en diverse sites is terug te vinden wie de manschappen van de vliegtuigen waren, wat er met hen is gebeurd, waar de vliegtuigen gestationeerd waren etc etc.

Hieronder een samenvatting van het verloop van de luchtoorlog van 1939 tot en met 1945. Deze gegevens zijn afkomstig van de Studiegroep Luchtoorlog (SGLO) Deze organisatie heeft een database met alle geregistreerde vliegtuigverliezen en wat er bij hoort. Ook voor de Betuwe is hier veel op terug te vinden. In deze samenvatting is in grote lijnen op te maken wat de doelen van de vluchten op dat moment waren en wat in hoofdlijnen de hierbij gebruikte toestellen waren.

Info en bron: www.studiegroepluchtoorlog.nl

1939

Op 29 augustus 1939 werd de algehele mobilisatie afgekondigd en verklaarde ons land zich traditiegetrouw neutraal in het nieuwe conflict, net als vele andere Europese staten. Het bleef aan het westelijke front relatief stil, hoewel op zee al snel de eerste schepen ten onder gingen. De RAF beperkte zich tot nachtelijke pamflettenvluchten en luchtaanvallen op de Duitse vloot.

Wel werd ons neutrale luchtruim geschonden door zowel de RAF als de Luftwaffe bij hun operaties boven de Noordzee en het Duitse achterland. Meestal was dat per ongeluk: navigatiefouten, technische problemen en slecht weer speelden de vliegtuigbemanningen parten. Voor Berlijn telde deze argumenten niet wanneer er weer eens een Brits vliegtuig via Nederland boven Duitsland opdook: de Duitse regering zag er steevast kwade opzet in van Nederland, dat volgens haar het neutrale luchtruim onvoldoende tegen de RAF beschermde. Dit zou worden aangegrepen om Nederland te bezetten. De vliegtuigen van de Luftwaffe kwamen trouwens ook regelmatig boven Nederland terecht – soms opzettelijk om fotoverkenningen te verrichten ter voorbereiding op de zogenaamde Blitzkrieg.

Het Wapen der Militaire Luchtvaart en de luchtdoelartillerie hadden ondertussen handen vol werk aan het onderscheppen van ‘vreemde vliegtuigen’, zoals de onbekende buitenlandse indringers werden genoemd. Het leidde weldra tot vuurcontacten en een enkel vliegtuigverlies. Ook de patrouilles van de MLD raakten soms in gevecht met buitenlandse toestellen die onze neutraliteit schonden. De Nederlandse luchtstrijdkrachten verloren in deze periode echter vooral door ongevallen vliegtuigen.

1940

Op 10 mei 1940 begon dan toch –en niet onverwacht- in alle vroegte de Duitse aanval op het westen. Daarbij werd ons land niet ontzien. De vliegvelden vormden een belangrijk doel van de eerste aanvalsgolf van de Luftwaffe, waarna Junkers Ju 52 transportvliegtuigen verschenen, die parachutisten en luchtlandingstroepen brachten om zo snel mogelijk in het hart van de Vesting Holland door te dringen. De Militaire Luchtvaart en de luchtdoelartillerie sloegen echter terug. De Luftwaffe leed op 10 mei 1940 boven ons land zware verliezen: vooral de trage transportvliegtuigen bleken zeer kwetsbaar. Vele van hen keerden niet terug, alleen al omdat ze bij de landing vastliepen in de Hollandse bodem. Een deel ervan was onbeschadigd en na de Nederlandse capitulatie weer inzetbaar, een ander deel pas na reparatie.

Aan het einde van de eerste oorlogsdag verkeerde de ML echter in een penibele situatie en vanaf 14 mei evacueerden de vliegscholen en de MLD. Het restant van de ML voerde een soort guerrilla met kleine luchtaanvallen op vaak zeer geringe hoogte. De resterende luchtverdedigingsjagers konden maar weinig effectief optreden tegen de Luftwaffe. De luchtdoelartillerie kampte bovendien steeds vaker met munitiegebrek.

De Duitse opmars bleek onstuitbaar. Nadat de tanks van de 9. Panzerdivision de zuidelijke wijken van Rotterdam bereikten, moest een luchtaanval op het Rotterdamse centrum verder verzet breken. Op 14 mei bombardeerden Heinkel He 111’s van KG 54 de binnenstad, wat inderdaad het beoogde resultaat had: ons land gaf zich over, met uitzondering van de troepen in Zeeland. De strijd in die provincie werd met hulp van de Franse bondgenoten nog enkele dagen gerekt.

De geallieerde luchtmachten maakten vanaf 10 mei vele oorlogsvluchten boven ons land en leverden daarbij geregeld gevechten met de Luftwaffe. Dat gebeurde vooral boven Zuid-Limburg, Noord-Brabant, Zuid-Holland en Zeeland, wat tot uiting komt in het verliesregister. In deze strijd bleek de kleine, eenmotorige Messerschmitt Bf 109 een uitermate gevaarlijke opponent, maar ook de tweemotorige Messerschmitt Bf 110 zette de Luftwaffe boven ons land met succes in.

Al tijdens de gevechten van de meidagen arriveerden de eerste vliegende Luftwaffe-eenheden in Nederland. Om deze goed te kunnen huisvesten begon in de zomer een ongekende bouwcampagne. Bestaande luchtvaartterreinen werden onherkenbaar uitgebreid en er kwamen verschillende grote en kleine vliegvelden bij. Deze bouwactiviteiten, die in 1940 en 1941 hun hoogtepunt kenden, duurden voort tot in 1945.

De strategische ligging van Nederland dicteerde een groot deel van de luchtstrijd. De Luftwaffe stationeerde hier vele jachtvliegtuigen om overdag en ’s nachts het luchtruim tegen de RAF te verdedigen. Bovendien opereerden Duitse bommenwerpers vanuit ons land tegen de Britse steden en de geallieerde scheepvaart. Tevens waren in Nederland allerlei ondersteunende vliegende eenheden te vinden, die reddings-, transport- en meteorologische vluchten deden en ook wel opleidingen verzorgden.

De RAF zette van meet af aan de strategische bommenwerpers van Bomber Command in om de Duitse oorlogsinspanning zo veel mogelijk afbreuk te doen. Dat ging veel moeilijker dan was verwacht. De gebruikte tweemotorige Vickers Wellingtons, Handley Page Hampdens en Armstrong Whitworth Whitleys konden op lange missies maar weinig bomlading meevoeren. De nachtelijke navigatie vormde een groot probleem. Niet alleen werden daardoor veel doelen gemist, ook begon de Luftwaffe de nachtelijke Britse aanvallers allengs beter te bestrijden. Daartoe werd een steeds verfijnder netwerk opgebouwd van radarposten, zoeklichten, luchtwachtposten, gevechtscentrales, vliegvelden, nachtjagers, enzovoorts. Ons land bekleedde daarin een zeer belangrijke positie, omdat het een buffer vormde voor de havens in Noord-Duitsland en de industrie van het Ruhrgebied. Ook vloog de RAF op de route naar Berlijn meestal via Nederland. De geallieerden waren dan ook zeer geïnteresseerd in de militaire activiteiten van de bezetter in deze contreien en fotografeerden ons grondgebied vrijwel onophoudelijk uit de lucht. De vaak snelle geallieerde fotoverkenners vlogen meestal op grote hoogte en alleen, zodat ze moeilijk te onderscheppen waren. Toch zijn er vele in ons land neergekomen; de eerste al in maart 1940.

De strijdende partijen moesten boven Nederland zelf ook steeds grotere verliezen incasseren. Slechts een klein deel van de neergehaalde geallieerden slaagde erin uit handen van de Duitsers te blijven, wanneer zij de crash hadden overleefd. De gesneuvelde militairen werden in de regel in ons land begraven. De Luftwaffe verzorgde de begrafenis van eigen personeel en omgekomen geallieerde vliegers en bemanningsleden werden met militaire eer door Duitse militairen ter aarde besteld.

1941

De Luftwaffe werd in 1941 aanvankelijk nog volop in beslag genomen door haar nachtelijke bombardementen op de Britse steden. De RAF zette op haar beurt zwaardere middelen in om de Duitse steden te bombarderen. In februari maakte de eerste viermotorige bommenwerper zijn operationele debuut: de Short Stirling. In maart volgde de eerste inzet van de,  eens viermotorige,  Handley Page Halifax. In september maakte de Luftwaffe ook kennis met de Nieuwe DeHavilland Mosquito. Met de Stirling, de Halifax en de Mosquito verscheen een nieuwe generatie oorlogsvliegtuigen op het strijdtoneel, waarvan spoedig de eerste exemplaren in Nederland neerkwamen.

De Duitse inlichtingendiensten waren zeer geïnteresseerd in deze vliegtuigen. Neergestorte exemplaren werden dan ook nauwkeurig onderzocht, wat vooral op het gebied van de elektronische oorlogsvoering consequenties met zich meebracht. Aangetroffen apparatuur werd geanalyseerd met het oog op nieuwe elektronische tegenmaatregelen. De vliegtuigwrakken waren bovendien een nuttige bron van dure grondstoffen. Zij werden daarom ten behoeve van de Duitse vliegtuigindustrie zorgvuldig geborgen en gerecycled,  onder meer in Utrecht en in het kamp Vught.

Na de winter hervatte Bomber Command haar operaties met aanvallen op onder andere Bremen,  Keulen en Sterkrade, afgewisseld met enkele kleinere aanvallen op Berlijn en steden in het Ruhrgebied.

De Luftwaffe verdedigde het Nederlandse luchtruim steeds effectiever. Boven het kustgebied en verder landinwaarts opereerde de Tagjagd met verbeterde Messerschmitt Bf 109’s. Zij boekten vele overwinningen tegen de lichte bommenwerpers en jagers die de RAF inzette tegen de Duitse doelen.

Na een geïmproviseerde aanloopfase ontwikkelde de Nachtjagd zich bovendien met rasse schreden tot een omvangrijke organisatie die zich van de modernste technologie bediende. Een zeer groot deel van de Duitse nachtjagers was in deze periode in ons land gestationeerd. De verliezen boven Nederland van Bomber Command liepen in de zomer van 1941 als gevolg van de Duitse maatregelen sterk op,  waarbij vooral in de maanden juli en augustus talrijke crashes op ons grondgebied plaatsvonden.

De vrij zware Junkers Ju 88 en Dornier Do 17 en Do 217 bleken redelijke tot goede wapenplatforms om de Britse bommenwerpers ’s nachts te bestrijden,  terwijl de lichtere Messerschmitt Bf 110 zelfs uitgroeide tot een uiterst geduchte tegenstander.

Pas aan het eind van de oorlog kwam de Heinkel He 219 beschikbaar,  die specifiek als nachtjager was ontworpen. Het jaar 1941 besloot met de Japanse aanval op Pearl Harbor en de Filipijnen, gevolgd door een offensief in Zuidoost-Azïe en de Stille Oceaan. Dit bracht de neutrale Verenigde Staten in oorlog. De massale Amerikaanse oorlogsindustrie kwam nu volledig ter beschikking van de geallieerden. Het duurde echter nog geruime tijd voordat de effecten op de luchtoorlog boven ons land merkbaar zou worden.

1942

In 1941 was een nieuw eenmotorig jachtvliegtuig geïntroduceerd, de Focke Wulf Fw 190, die vanaf 1942 ook steeds meer boven Nederland werd ingezet. In de zomer van 1942 verscheen de Amerikaanse strategische 8th Air Force op het Europese strijdtoneel. Ook in de lucht boven Nederland begon het tij nu langzaam te keren. De Amerikanen hadden voor hun operaties twee hoofddoelstellingen in gedachten:

  1. het bombarderen van algemene doelen in Europa,  zodat de Duitse weerstandswil brak
  2. het bombarderen van precisiedoelen,  waarvan de vernietiging de Duitse oorlogsinspanning ondermijnde

Het duurdere echter nog enkele maanden voordat grote formaties Boeing B-17 Flying Fortresses en Consolidated B-24 Liberators hun condenssporen door ons luchtruim trokken, tot een zeker punt begeleid door Lockheed P-38 Lightnings en Republic P-47 Thunderbolts.

De RAF nam in dezelfde zomer een nieuw jachtvliegtuig van Amerikaanse makelij in haar gelederen op:  de North American P-51 Mustang. Spoedig verschenen zij boven ons land om Duitse doelen op de grond te mitrailleren. Eind mei voerde de RAF de eerste nachtelijke raid uit met het symbolische aantal van 1.000 bommenwerpers. De aanval was gericht op Keulen en liep recht over Nederland. Het vormde een belangrijk signaal aan het adres van de tegenstander en had grote propagandistische waarde voor het thuisfront,  zowel in Groot-Brittannië als in de VS.

In maart waren de eerste Avro Lancasters,  die een grote bommenlast konden meenemen,  operationeel ingezet. De viermotorige Lancasters zouden de ruggengraat van Bomber Command gaan vormen en zij namen dan ook deel aan de raid op Keulen. In de nacht van 1 op 2 juni voerde de ‘Thousand Force’ andermaal een grote aanval uit,  ditmaal gericht op Essen.

Hierbij gingen de RAF ’s nachts en de USAAF overdag doelen aanpakken.

1943

1943 was onder andere het jaar van de eerste acties van de gewapende Knokploegen en van de oprichting van de spionagegroep ‘Albrecht’. De RAF ondersteunde het Nederlandse verzet,  bijvoorbeeld met het droppen van geheime agenten en wapens. Daarbij verloor de Britse luchtmacht echter een flink aantal vliegtuigen.

De oorlog in ons luchtruim stond in 1943 in het teken van een aantal grote campagnes, waarvan de Battle of the Ruhr (maart tot juli) en de Battle of Berlin (beginnend in november) de belangrijkste waren. Voorts stonden enkele grote RAF-bombardementen op het programma, zoals op Hamburg,  de stuwdammen,  Kassel en Peenemünde. In de laatstgenoemde plaats waren de Duitsers bezig met de ontwikkeling van zogenaamde Vergeltungswaffen ofwel V wapens en de geallieerden hoopten dit testprogramma grondig te verstoren. Als bekend werden deze wapens later toch ingezet. Een noviteit was de inzet van Window:  grote hoeveelheden uitgeworpen strookjes aluminiumfolie misleidden de Duitse luchtverdediging die op de radar een naderende aanvalsgolf dacht waar te nemen, wat leidde tot verkeerde tegenmaatregelen. De Nachtjagd was echter nog lang niet verslagen en paste zich snel aan de veranderende omstandigheden aan:  opnieuw tot grote schade van de RAF, die bij voortduring vliegtuigen boven Nederland verloor. Gaven de eerste vier maanden al zwaardere verliezen dan in dezelfde periode van het vorige jaar te zien,  de maanden mei en juni verliepen voor de RAF nog dramatischer. Aanvallen op onder andere Dortmund,  Düsseldorf, Essen en Wuppertal in mei werden gevolgd door bombardementen op Düsseldorf, Bochum, Keulen, Krefeld, Mülheim, Wuppertal en Gelsenkirchen in juni; ze gingen steeds gepaard met hoge verliespercentages. De maand juni van 1943 was de meest verliesrijke in de luchtoorlog boven Nederland sinds mei 1940. Ruim 220 toestellen vonden hier toen hun einde.

De Amerikanen vielen in 1943 voor het eerst met hun strategische bommenwerpers doelen in Duitsland aan. Bovendien debuteerde op 17 mei de middelzware Martin B-26 Marauder boven West-Nederland. Tegen vliegvelden werden eveneens bij gelegenheid de viermotorige heavies van de strategische 8th US Air Force ingezet.

De 8th Air Force bestookte in 1943 ook nog twee keer de kogellagerfabrieken van Schweinfurt;  bij beide rampzalig verlopen missies lagen de vliegroutes over de Scheldemonding. De resultaten gaven de Amerikanen te denken. Hun grote bommenwerperformaties bleken te kwetsbaar voor de Luftwaffe als ze eenmaal buiten bereik van de escorterende Thunderbolts en Lightnings waren. De doctrine van de 8th Air Force kwam ter discussie te staan,  maar toch bleven de Amerikanen daglichtoperaties boven een omschakeling naar het nachtelijk duister verkiezen.

Boven Nederland vonden in toenemende mate felle luchtgevechten plaats tussen de Amerikaanse luchtarmada’s en de Duitse Tagjagd. De Luftwaffe reorganiseerde zich en wist regelmatig vele overwinningen te boeken. Toch eiste de slijtage in de Jagdgeschwader haar tol naarmate de luchtoorlog verhevigde liepen de Duitse verliezen op. Een keerpunt werd in juli 1943 bereikt:  voor de eerste keer sinds mei 1940 lagen de Duitse verliezen boven ons land hoger dan die van de RAF of de USAAF (apart genomen).

1944

De belangrijkste gebeurtenis voor ons land van 1944 was uiteraard Market Garden en de nasleep ervan. Voordat de geallieerde troepenmacht Nederland bereikte was er in 1944 voortdurend activiteit in ons luchtruim. Het jaar opende voor de RAF met de voortzetting van de Slag om Berlijn,  die eind 1943 was begonnen en tot in maart 1944 aanhield. De Duitse nachtjagers bleken in deze fase nog een geduchte tegenstander en de verliezen van Bomber Command noopten tot ingrijpende wijzigingen van Britse tactieken en technieken. Behalve op de Reichshauptstadt waren er grote geallieerde aanvallen op Leipzig,  Augsburg en de Duitse olie-industrie, om slechts enkele bekende doelen te noemen waarbij iedere keer over ons land werd gevlogen.

De Luftwaffe antwoordde met operatie Steinbock, begin 1944. Een reeks Britse steden, maar vooral Londen werd vanaf Duitse bases in Frankrijk, België, Duitsland en Nederland gebombardeerd. Deze raids bloedden na enkele weken dood vanwege de opgelopen verliezen, die de Kampfgeschwader niet meer konden compenseren.

De Amerikanen wisten in 1944 pas goed de capaciteiten van vanaf december 1943 ingezette P-51 Mustang escortejagers te benutten. Het was met behulp van afwerpbare brandstoftanks voortaan mogelijk om de zware bommenwerpers gedurende hun hele missie te begeleiden. Daardoor werd het voor de Luftwaffe moeilijker om de bommenwerperformaties effectief aan te pakken. De Luftwaffe had echter nog een troef achter de hand in de vorm van de revolutionaire, Messerschmitt Me 262 straaljager en Me 163 raketjager. Ook zij werden in 1944 voor het eerst ingezet, onder meer vanaf Nederlandse bases.

De voorbereiding op de invasie in Frankrijk betekende dat de RAF en de USAAF zich tijdelijk concentreerden op dat land en op België,  hetgeen een noodzakelijke wisseling van doelkeuze was. Daardoor was er tijdelijk minder activiteit boven Nederland.

Ten behoeve van de geallieerde expeditiemacht waren de Amerikaanse 9th Air Force en de 2nd Tactical Air Force (TAF) van de RAF opgericht. Zij zouden de landstrijdkrachten tactische luchtsteun geven met jagers,  jachtbommenwerpers en middelzware bommenwerpers. Deze vliegtuigen werden intensief ingezet vanaf de voorbereidingen van de landingen in Normandië tot aan de Duitse overgave.

In maart, augustus en september 1944 werden verschillende zware geallieerde luchtaanvallen op Nederlandse vliegvelden uitgevoerd, waarbij de raids van de afgelopen jaren in het niet zonken. Hier en daar werden bij deze bombardementen ook Duitse vliegtuigen op de grond vernield, hoewel de schade aan de vliegveldinfrastructuur veel groter was dan blijkt uit het verliesregister. Dit alles had tot gevolg dat de vliegtuigen van de Luftwaffe in de loop van het jaar voor een groot deel werden teruggetrokken uit Nederland. Slechts een beperkt aantal vliegvelden bleef in gebruik.

Op 17 september vielen tussen Eindhoven en Arnhem de geallieerde para’s uit de lucht. Ze kregen spoedig steun van grondtroepen die vanuit België oprukten. De geallieerden benutten hun luchtoverwicht niet altijd ten volle. De ontsnapping van het Duitse 15e leger via Zeeuws-Vlaanderen over de Schelde naar Noord-Brabant is daarvan een markant voorbeeld, evenals het gebrek aan geallieerde nabij luchtsteun voor de grondtroepen tijdens de Slag om Arnhem.

Aan de hand van de vliegtuigverliezen kan een verslag worden gedistilleerd van alle fasen in de bevrijding:  de overvluchten naar de Dropping Zones, de luchtlandingen, de bevoorradingsvluchten met Stirlings en Douglas C-47’s en Dakota’s (de Britse aanduiding voor de C-47), de komst van de lichte Pipers en Austers voor artilleriewaarneming en verbindingen, de inzet van geallieerde jachtvliegtuigen en bommenwerpers vanaf Nederlandse vliegvelden en de afnemende capaciteit van de Luftwaffe.

Toch is enige voorzichtigheid geboden bij het hanteren van de verlieslijsten als absolute graadmeter voor de intensiteit van de luchtoperaties. Zo verloor de RAF op 17 september 1944 – de eerste en overweldigende dag van Market Garden- waarschijnlijk slechts één Dakota boven ons land! Pas tijdens de bevoorradingsmissies van de daarop volgende dagen liepen de Dakota-verliezen van de RAF op tot in totaal bijna 90 vliegtuigen. De USAAF verloor op 17 september ongeveer 25 C-47’s, maar toch waren de gezamenlijke Britse en Amerikaanse verliezen aan transport- en sleepvliegtuigen aanzienlijk lager dan het aantal afgeschreven Duitse Junkers Ju 52’s in mei 1940,  voor zover dat nu is vast te stellen. Dat is op zijn minst opvallend te noemen. Een belangrijke oorzaak moet worden gezocht in de grootschalige luchtaanvallen op de Duitse Flak-stellingen,  die voorafgingen aan de passage van de langzame transportvliegtuigen.

De geallieerde tactische luchtstrijdkrachten gingen snel vanaf bevrijd gebied opereren. Allereerst gebeurde dat vanaf bestaande vliegvelden,  maar al spoedig legde de RAF een reeks van tijdelijke strips aan,  meestal met startbanen van staalplaten. Daar arriveerden tientallen jagers en jachtbommenwerpers van de 2nd TAF,  bemand door vliegers van een groot aantal nationaliteiten. De meest gangbare typen waren de Supermarine Spitfire,  Hawker Typhoon en Hawker Tempest. De Nederlandse Squadrons keerden terug in het vaderland. Hun missies strekten zich uit tot boven Duitsland en de rest van ons land,  dat nog was bezet. Duits luchtdoelgeschut bleek echter nog een geduchte vijand,  vooral omdat de concentratie ervan toenam. Het verliesregister laat dit duidelijk zien,  omdat vanaf september vele vliegtuigen van de RAF in ons land crashten.

Het jaar eindige verrassend met het Duitse Ardennenoffensief,  dat in het geallieerde kamp voor consternatie zorgde. Bezet Nederland kreeg het steeds moeilijker. Nadat zij de hoop op een snelle bevrijding in de grond hadden geboord, introduceerden de Duitsers eind 1944 in onze contreien een nieuwe vorm van oorlogsvoering met de V-wapens. De eerste daarvan waren al vanuit Frankrijk afgeschoten, maar de lanceereenheden waren door de geallieerde opmars naar Nederland teruggedrongen. Zij richtten hun wapens niet alleen op Engeland, maar ook op de logistieke knooppunten Antwerpen en Luik, die niet over de grond werden bereikt tijdens het Ardennenoffensief. Dit dwong de geallieerden tot het versterken van hun luchtverdedigingsgordels boven Zuid-Nederland. De laatste dagen van 1944 boden vanwege het slechte weer weinig ruimte voor luchtoperaties. Nieuwjaarsdag 1945 zou echter een onaangename verrassing brengen.

1945

De Luftwaffe deelde op Nieuwjaarsdag een onverwachte klap uit met operatie Bodenplatte. Ter ondersteuning van het Ardennenoffensief deden Duitse jachtvliegtuigen massale luchtaanvallen op geallieerde vliegvelden in bevrijd Nederland,  België en Noord-Frankrijk. Dat de Duitsers daarmee niet alleen zware verliezen aan de geallieerden toebrachten,  maar die ook zelf incasseerden was al lang bekend. Uiteindelijk waren de Duitse verliezen in januari hoger dan de geallieerde. Na Bodenplatte was de Luftwaffe nog tot operaties in staat,  maar de angel was er definitief uit. Dat erna maar weinig Duitse vliegtuigen in Nederland neerstortten is veelzeggend. Wel vonden de geallieerden op de veroverde vliegvelden enkele achtergelaten vliegtuigwrakken, zelden echter nog vliegklare toestellen.>

De operaties om in 1945 de rest van Nederland te bevrijden kwamen langzaam op gang. De strenge winter speelde de geallieerden parten en bovendien eiste het terugdringen van het Duitse Ardennenoffensief maandenlang alle aandacht op. In deze periode richtten de geallieerde luchtstrijdkrachten zich steeds vaker op de bestrijding van de V.1 vliegende bommen en V.2 raketten die vanuit ons land werden gelanceerd. De lanceringen daarvan vonden vooral plaats in Zuid-Holland,  Gelderland en Overijssel. Door de aanvoer van deze wapens over het spoor en de weg met jachtbommenwerpers te storen,  maakte de geallieerde talloze burgerslachtoffers. Dat gebeurde ook bij de aanvallen op de afvuurplaatsen, die door de Duitsers soms middenin dicht bebouwde omgevingen werden gekozen.

Pas na de verovering van het Rijnland begon eind maart de bevrijding van bezet Oost- en Noord-Nederland,  die vooral op naam van de Canadezen kwam. Er werd zelfs nog een kleine luchtlanding in het noorden op touw gezet ter ondersteuning van hun offensief.

Toch was dit slechts een nevenoperatie, want de geallieerde hoofdaanval was oostwaarts gericht; Duitsland in. De verliezen van de RAF en USAAF boven Nederland in deze eindfase waren desondanks niet gering. Vooral de jachtbommenwerpers moesten het ontgelden door de grote concentraties Flak. In de laatste oorlogsmaanden namen de Amerikanen nog twee tijdelijke vliegvelden in Limburg in gebruik voor hun tactische luchtstrijdkrachten. Het strategische luchtoffensief tegen Duitsland ging in 1945 nog onverminderd voort, wat onder meer leidde tot het dramatische bombardement op Dresden in februari. Een deel van de raid tegen deze ongelukkige stad leidde over Nederland, net als niet veel later de grootschalige operaties tegen Chemnitz en Berlijn.

Terwijl de geallieerde legers in steeds hoger tempo door het westen van Duitsland voortjakkerden, raakte de Hollandse bevolking tussen de inundaties in de greep van de honger. De sterfte liep door honger en ziekten snel op. De laatste grote luchtactie boven Nederland bracht echter verlichting. De operaties Manna (RAF) en Chowhound (USAAF) lenigden op de valreep althans de eerste nood, waardoor de ‘Vliegende kruideniers’ voorgoed in de Hollandse harten werden gesloten. Dat deze missies daadwerkelijk een humanitair karakter droegen, blijkt eens te meer uit de verliezen:  voor het eerst bleef een zeer omvangrijke operatie gevrijwaard van grote aantallen crashes omdat de Duitsers hadden belooft niet te schieten. Wie dan ook het verliesregister (terecht) ziet als de indicator bij uitstek van de intensiviteit van de luchtacties,  mag de voedselvluchten niet over het hoofd zien. Eindelijk kon in heel Nederland de vlag uit.